rijksuitgaven
Foto: Gijs Franken/CC

Tussen 2008 en 2019 zijn de rijksuitgaven aan verkeer en vervoer gedaald, terwijl de totale overheidsuitgaven stegen. Ook de inkomsten uit belastingen specifiek voor mobiliteit daalden. Per saldo waren de inkomsten hoger dan de uitgaven. Tegenover de daling van de rijksbestedingen staat een stijging van de uitgaven door provincies en vervoerregio’s. Die van gemeenten stabiliseerden.

Dit blijkt uit onderzoek van het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM). In 2019 gaven alle overheden samen ruim 12 miljard euro uit aan verkeer en vervoer. Gecorrigeerd voor inflatie bedroeg de daling ten opzichte van 2008 0,6 miljard euro. Uitgedrukt als percentage van het BBP was er sprake van een afname van 1,7% naar 1,5%. De daling komt geheel voor rekening van het Rijk. De uitgaven voor aanleg van nieuwe infrastructuur namen hierbij sterker af dan voor beheer en onderhoud. De overheden, en vooral het Rijk, gaven met name minder uit aan weginfrastructuur. De uitgaven aan spoor, openbaar vervoer en waterwegen stegen juist.

Na 2019 stijging vanwege corona

Door de coronapandemie zijn na 2019 de (begrote) uitgaven hoger. Dit komt door beschikbaarheidsvergoedingen aan met name het openbaar vervoer, maar ook door hogere uitgaven van het Rijk aan infrastructuur. De inkomsten, zoals de aanschafbelasting op motorvoertuigen (bpm) en accijnzen op benzine en diesel, zijn tijdens de coronapandemie lager. Het begrote saldo daalt daardoor fors, tot minder dan 1 miljard euro in 2021.

Van Infrastructuurfonds naar Mobiliteitsfonds

Het Rijk bekostigt de aanleg en instandhouding (beheer en onderhoud, vervanging, renovatie) van de infrastructuur via het Infrastructuurfonds (vanaf 2022: Mobiliteitsfonds). Daarnaast zijn er via de reguliere begroting van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat uitgaven aan subsidies, niet-infrastructurele maatregelen en andere bijdragen. Zowel in 2008 als in 2020 bedroegen de rijksuitgaven rond de 6 miljard euro, in de begrotingen van 2021 en 2022 stijgen deze naar 7 miljard. Uitgedrukt als percentage van het BBP daalden de uitgaven van het Infrastructuurfonds van 2,2% in 2008 naar 1,7% in 2020.

Uitgaven waterwegen gestegen

De uitgaven aan wegen, spoor en ov zijn, gecorrigeerd voor inflatie, licht gedaald, die voor waterwegen stegen juist. Per saldo is het aandeel van de uitgaven aan aanleg enkele procenten gedaald, en aan instandhouding licht gestegen. De begrote uitgaven voor 2021 en 2022 stijgen door de coronapandemie (met name de zogeheten beschikbaarheidsvergoedingen voor het ov), maar ook door hogere uitgaven vanuit het Infrastructuurfonds.

Inkomsten

Het overgrote deel van de aan mobiliteit gerelateerde inkomsten is afkomstig van het wegverkeer. Per saldo zijn de inkomsten tussen 2008 en 2019 vrijwel gelijk gebleven: ruim 14 miljard euro. Gecorrigeerd voor inflatie daalden ze echter met 15%. Uitgedrukt als percentage van het BBP is dit een daling van 2,2% naar 1,7%. Met name de inkomsten uit de aanschafbelasting op motorvoertuigen, en in beperktere mate de motorrijtuigenbelasting, zijn gedaald. De gebruikersheffingen voor spoorvervoerders zijn relatief sterk gestegen en bedroegen in 2020 ongeveer 800 miljoen euro.

Provincies, vervoerregio’s en gemeenten

De uitgaven van provincies en vervoerregio’s stegen van 1,8 miljard euro in 2008 naar 2,7 miljard in 2019. Gecorrigeerd voor inflatie stegen deze uitgaven met zo’n 40%. Uitgedrukt als percentage van het BBP was dit 0,35% in 2019 en 0,3% in 2008. De stijging heeft grotendeels te maken met de hogere uitgaven aan het ov. De uitgaven van gemeenten aan infrastructuur zijn in absolute zin gestegen van 2,8 miljard naar ruim 3 miljard euro. Gecorrigeerd voor inflatie gaat het om een beperkte stijging (4%). Uitgedrukt als percentage van het BBP lag dit in 2008 iets boven en in 2019 iets onder de 0,4%. Het gaat hierbij voor het overgrote deel om uitgaven aan wegen en parkeren – dit is inclusief overige infrastructuur en maatregelen voor bijvoorbeeld fietsen en wandelen. Ook hier staan tegenover de uitgaven natuurlijk inkomsten. Provincies innen zogeheten opcenten op de motorrijtuigenbelasting. Deze stegen van 1,3 miljard euro in 2008 naar 1,7 miljard in 2019. De inkomsten van gemeenten uit parkeerheffingen zijn in deze periode bijna verdubbeld, van ruim 500 miljoen euro naar bijna 1 miljard euro. Ook gecorrigeerd voor inflatie stegen deze inkomsten.

Bijdrage EU is beperkt

De Europese Unie (EU) droeg in de jaren 2014-2020 jaarlijks voor gemiddeld bijna 75 miljoen euro bij aan diverse mobiliteitgerelateerde projecten in Nederland. Een groot deel van deze bijdragen ging niet naar overheden, maar naar overige partijen. De EU-bijdrage aan de IenW-projecten was jaarlijks gemiddeld ongeveer 16 miljoen euro, die aan decentrale overheden enkele miljoenen per jaar.

Niet het hele verhaal…

Het KiM maakt aan het eind van zijn rapport nog een belangrijke kanttekening: ‘De financiële inkomsten en uitgaven vertellen niet het hele verhaal. (…) Verkeer en vervoer hebben tal van effecten op de samenleving – waarmee overheden ook rekening houden. Positief zijn de effecten op de economie en de mogelijkheden voor mensen om activiteiten te ontplooien. Negatief zijn de effecten op klimaat, leefomgeving en milieu – deze verschillen bovendien sterk tussen de afzonderlijke modaliteiten. Het wegverkeer heeft relatief grote negatieve effecten, het ov en de binnenvaart hebben die veel minder. De financiële inkomsten en uitgaven geven in die zin geen beeld van de totale maatschappelijke kosten en baten voor de samenleving.’