Waarom begrijpen we ‘wandelende opleggingen’ nog steeds niet?

Het Platform Voegovergangen en Opleggingen (PVO) wil in samenwerking met KIWA een onderzoek starten om inzicht te krijgen hoe een rubber oplegging zich gedraagt tegen verschillend afgewerkte betonoppervlakken, diverse staaloppervlakken en een aantal kunststoffen.

In de infrastructuur worden veel rubberen opleggingen toegepast om bewegingen tussen onder- en bovenbouw op te vangen. Het betreft in veruit de meeste gevallen staalplaatgewapende rubber opleggingen (type B opleggingen conform de NEN EN 1337 deel 3).

“De bruggen op snelwegen bestaan veelal uit betonnen onderdelen, deze leg je niet zomaar koud op het landhoofd, dat gaat wrikken”, legt Evert van Vliet, R&D Specialist bij Spanbeton, uit. “Dat veroorzaakt schade, dus leg je er een rubber oplegging tussen. Deze volgt dan de bewegingen van het viaduct.”

Deze oplegging ligt er los tussen en wordt door de wrijving met de omgeving op z’n plek gehouden. De wrijving moet ook genoeg zijn voor het opnemen van de horizontaalkrachten van wind en remmend verkeer. “De vraag is dan: is de wrijving tussen die rubber oplegging en de onder- en bovenbouw voldoende, dat deze er niet tussenuit wandelt.” Als dit wel gebeurt valt er een steunpunt weg en is het brugdek niet meer goed ondersteund. De brug voldoet dan niet meer aan zijn ontwerpvoorwaarden, in het ergste geval moet de brug gesloten worden voor verkeer. Herstelkosten zijn doorgaans zeer kostbaar, zij overstijgen de feitelijke waarde van de opleggingen met duizenden procenten!

Discussie
Hoewel het gebruik van type B rubber opleggingen inmiddels decennia meegaat, is het inzicht in het fenomeen ‘wrijving’ en de relatie met ‘wegwandelen’ beperkt. Dit uit zich niet alleen in een jaren durende discussie tussen experts in de normcommissie, maar ook tussen ontwerpers in projecten.

De huidige normtekst over deze wrijving is gebaseerd op data uit oude onderzoeken met zeer weinig inzicht in de randvoorwaarden van die onderzoeken, zoals de ruwheid van de materialen die gebruikt worden.

In gesprek met enkele leden van het PVO wordt duidelijk dat het belang van een goede norm vaak onderschat wordt. Frank van Beek, adviseur bruggen en viaducten bij Rijkswaterstaat: “Het betrouwbaar functioneren van opleggingen gedurende de levensduur is van groot belang: voor de beheerder bij Rijkswaterstaat, provincie en gemeente van het kunstwerk is het van belang om de veiligheid te garanderen en daarmee dus ook voor partijen met onderhoudscontracten. Goed uitvoeren en ontwerpen is hierbij cruciaal.” Martin Makkink (onafhankelijk adviseur opleggingen): “er moet uniform SMART worden gemaakt wat de randvoorwaarden zijn voor een goede uitvoering en hoe dit gemeten kan worden: geen discussie meer op de bouwplaats!”.

Van Vliet ziet dan ook de noodzaak in om een nieuwe, goed onderzochte norm te krijgen. “Deze nieuwe norm kan gebruikt worden bij het ontwerpen van opleggingen bij nieuwe bruggen maar ook bij het analyseren van schades Als blijkt dat de wrijvingsnorm niet gehaald wordt en het rubber er dus tussenuit kan lopen, moeten andere (duurdere en moeilijker vervangbare) oplossingen toegepast worden, zoals het vastzetten van de opleggingen”.

Fondsenwerving
Het PVO zet zich actief in om onderzoek over de wrijving van rubberopleggingen van de grond te krijgen. Het uiteindelijke doel is het beperken van schades en verminderen van discussies door eenduidige richtlijnen en normen voor ontwerpers en uitvoerders.

Op www.pveno.nl/nieuws/ is meer informatie te vinden. Momenteel is de fondsenwerving om dit onderzoek mogelijk te maken in een vergevorderd stadium, mede door bijdragen van het PVO, Rijkswaterstaat en vier marktpartijen. Er is nu nog 30.000 euro nodig om van start te kunnen gaan.