Onderwijsminister Arie Slob: “Investeer in samenwerking met het onderwijs, ook als er géén krapte is”

Onderwijsminister Arie Slob

De renovatie- en vervangingsopgave in de GWW-sector trekt een zware wissel op een toch al krappe arbeidsmarkt. Onlangs liet professor Ton Wilthagen, hoogleraar arbeidsmarkt aan de Tilburg University, in OTAR zijn licht schijnen over oplossingsrichtingen. We spraken vervolgens minister Arie Slob van Basis- en Voortgezet Onderwijs over de bijdrage die het onderwijs(beleid) daaraan kan leveren.

Wat maakt de GWW sector volgens u een interessante sector om in te werken?
“De GWW lijkt mij een geweldige sector. Nederland heeft zeker op de waterbouw wereldwijd een naam hoog te houden, maar ook in de rest van de sector kun je van Nederland vakmanschap en innovatiekracht verwachten. In deze sector werk je aan de grote vragen van deze tijd: hoe zorgen we dat we omgaan met klimaatverandering en hoe zorgen we ervoor dat onze kinderen ook op deze aarde kunnen leven? Je bent vandaag al bezig met de problemen van morgen. En je bedenkt ook nieuwe oplossingen voor oude problemen. Kortom, genoeg reden om in deze sector aan de slag te gaan.”

Hoe zou de sector er voor moeten zorgen dat de jeugd kiest voor een carrière in de bouw?
”Het is heel goed om het imago van de bouw en GWW-sectoren bij leerlingen te verbeteren. Dat kan in samenwerking met bedrijven, en door betere loopbaanoriëntatie. Leerlingen hebben natuurlijk zelf de keuze welk vak ze willen gaan leren. Het is belangrijk dat leerlingen meer te zien krijgen hoe het werk in de bouwsector, en in de techniek in het algemeen, er nou uitziet. Daarover bestaan veel vooroordelen en misplaatste beelden. In de beeldvorming kunnen wij gezamenlijk nog veel winnen.
De bouwsector is gelukkig nu al actief in het onderwijs, bijvoorbeeld door stageplekken aan te bieden. Ook wordt er intensief samengewerkt, bijvoorbeeld als lessen op locatie worden gegeven en leerlingen van instructeurs uit het vak zelf de fijne kneepjes leren. Zo komen leerlingen ook in aanraking met de allerlaatste technieken. Bedrijven zouden dit nog wel vaker kunnen doen. Laat de leerlingen al op jonge leeftijd zien wat het vak precies inhoudt.Daarbij is het wel belangrijk dat bedrijven goed samen met de scholen bekijken hoe zoiets past in het lesprogramma. Om bijvoorbeeld een bedrijfsbezoek te laten slagen en ervoor te zorgen dat leerlingen zich echt aangesproken voelen, moet er in de les naar zo’n bezoek worden toegewerkt. Anders snappen leerlingen niet wat ze nu eigenlijk te zien krijgen of bijvoorbeeld hoe innovatief een bedrijf werkt.”

Hoe zou de sector er voor moeten zorgen dat kennis wordt overgedragen aan toekomstige medewerkers?
“Het zou mooi zijn als meer werknemers ook als instructeur les zouden willen geven aan leerlingen. Het is een mooie ervaring om je vak aan een nieuwe generatie door te geven, dat heb ik als docent zelf ook gemerkt. En het geeft leerlingen het gevoel dat ze met het échte werk in aanraking komen.”

Wat voor rol speelt het onderwijs hierin?
“Daar speelt het onderwijs een heel belangrijke rol in. We willen dat kinderen niet alleen maar leren wat er al bekend is, maar ze moeten ook de vaardigheid ontwikkelen om juist die nieuwe problemen op te lossen: in de toekomst moeten we het van hen hebben. Het onderwijs kent altijd, en zeker in het beroepsonderwijs, de uitdaging dat we kinderen opleiden voor beroepen die vaak nog niet eens bestaan. Het is daarom fantastisch om te zien dat scholen nu steeds meer samenwerken met het bedrijfsleven. Zo komen leerlingen al vroeg in aanraking met de meest moderne technieken en worden ze gestimuleerd op een innovatieve manier te denken, ook over de maatschappelijke aspecten als hergebruik van grondstoffen en cyclisch ontwerpen. Daarom ben ik er voorstander van om leerlingen in het vmbo al in aanraking te brengen met de praktijk (duaal leren). Daar werken we in Sterk Techniekonderwijs ook hard aan.”

Sluit het onderwijs wel voldoende aan bij de behoefte uit de praktijk?
“Daar hebben we zeker oog voor. We investeren 100 miljoen euro in het technisch vmbo en daarin hebben we het bedrijfsleven ook nadrukkelijk een rol gegeven. Die hele aanpak is gericht op de behoefte van de (regionale) arbeidsmarkt. Tegelijkertijd zie je dat er nog altijd tekorten zijn in sommige sectoren en overschotten in andere. Dus die aansluiting is nog niet optimaal. We zorgen er met de techniekaanpak voor dat scholen en bedrijven steeds meer met elkaar gaan samenwerken, en dat vind ik heel belangrijk.
Aan de andere kant zien we ook dat de arbeidsmarkt soms ook het onderwijs laat vallen. In de crisisjaren is veel samenwerking met scholen stopgezet. Het bedrijfsleven laat dan vrij weinig langetermijnvisie zien. Als er toen wat meer inzet was gebleven, waren de tekorten nu misschien niet zo nijpend.”

In editie nr. 5 van OTAR stond een interview met prof Wilthagen. Hij stelt onder meer het volgende: “Halveer de collegekosten en motiveer zo mensen voor techniek te kiezen”. Graag uw reactie!
“Het vmbo is natuurlijk gratis en 16- en 17-jarige studenten betalen in het mbo ook nog geen lesgeld. Vanaf 18 jaar betalen mbo-studenten wel lesgeld, maar daar staat voor bol-studenten (beroepsopleidende leerweg) het recht op studiefinanciering tegenover. Ik zie daar dus niet zo’n belemmering.”

Er is weer sprake van de opkomst van bedrijfsscholen door het tekort aan personeel. Wat vindt u van die ontwikkeling?
“Ik vind het een goede ontwikkeling dat het bedrijfsleven ook zelf meer het heft in handen neemt om het tekort aan personeel aan te pakken. Veel bedrijfsscholen werken samen met een mbo-instelling. Samen kunnen zij alle erkende mbo-opleidingen aanbieden die er zijn en dan speciaal toegesneden op het bedrijf. Een bedrijf wordt ook aantrekkelijker voor studenten wanneer zij er een erkend diploma kunnen halen. Bedrijven kunnen samenwerken met een ROC, maar ook met een niet-bekostigde instelling als LOI of NCOI. En zoals ik eerder zei, ik hoop verder dat bedrijven zich blijven inzetten, ook wanneer de krapte minder wordt.”

Wat gebeurt er met het extra geld voor beter techniekonderwijs?
“Om het techniekonderwijs verder te ontwikkelen krijgen 45 regio’s in totaal ruim 231 miljoen euro. Dat is bijna 16.000 euro per leerling. Voor dat geld zijn enthousiaste plannen gemaakt door vmbo-scholen, mbo’s en lokale en regionale bedrijven. De plannen verschillen per regio. Waar in de ene regio een nieuwe gezamenlijke technieklocatie wordt opgezet, kiest een andere regio ervoor om vmbo-leerlingen praktijklessen te laten volgen bij bedrijven. Veel regio’s gaan ook op basisscholen aan de slag om leerlingen kennis te laten maken met techniek en technologie. Deze samenwerking vinden we heel belangrijk, nu de arbeidsmarkt staat te springen om goed geschoold technisch personeel.”